Kadee exit, bekerkoppeling ingevoerd

De E.S.M. begon met Kadee

Hoe koppel je tramrijtuigen in schaal 0? In navolging van veel modelbouwers in schaal 0e (O16.5) gingen we op het Eiland Waan van start met Kadee #26. Deze koppeling was ontwikkeld voor h0, en was dus voor de 0e-rijders een logische keuze. Zij rijden met smalspoormaterieel in schaal 0 op 16,5mm-spoor. Voor de Electrische Spoorweg-Maatschappij van het Eiland Waan, daarentegen, bleken er na verloop van tijd toch ook nadelen te zitten aan deze Amerikaanse koppeling. De oplossing werd gevonden in een zelfgebouwde bekerkoppeling.

Overstappen naar een Kadee die was ontworpen voor een grotere schaal was geen optie: nadelen waren de minder goede verkrijgbaarheid, en het grotere formaat. De h0-Kadees konden makkelijk doorgaan voor tramkoppelingen van het formaat Albert-koppeling - al was het systeem anders - maar de 0n3- en 0-Kadees zijn beslist te spoors van uiterlijk voor de relatief kleine 0m-trams.

Aantrekkelijk aan de Kadees was de mogelijkheid om zonder tussenkomst van de menselijke hand motorrijtuigen en aanhangrijtuigen te koppelen. Ook ontkoppelen, door middel van een magneet tussen de spoorstaven, verloopt automatisch. Nu zijn de gebruikte Kadees ontwikkeld voor gebruik in h0-voertuigen op de daarvoor gangbare spoorwijdte van 16,5 mm. Maar de geometrie en het gedrag van de 0m-trams op 22,5mm-spoor wijken in verscheidene dimensies af van h0-materieel.

Uitzwaaiende wagenbakken

Vooral bij tweeassige trammotorrijtuigen is de overhang vrij groot. Het voor- en achterbalkon steekt relatief ver uit, en zwaait daardoor uit in de krappe bogen die gangbaar zijn in een tramnet. De Kadee-koppeling is vast bevestigd onder het balkonscherm, dus aan het uiteinde van het rijtuig. Bij het inrijden van de boog zwaait het balkon, en daarmee de koppeling, steeds verder uit. Daarmee verlaat de koppeling de positie 'hart-spoor', waar de KaDee zich idealiter hoort te bevinden.

Gevolg is dat de koppeling van het aanhangrijtuig ook wordt meegenomen in deze uitzwaaibeweging. Alleen als de overhang van het aanhangrijtuig exact gelijk is aan de overhang van de trekkende tram geeft dit geen problemen; maar dit komt zelden voor. De uitzwaaiende koppeling van het motorrijtuig zwiept het aanhangrijtuig uit het spoor; einde van het natuurgetrouwe trambedrijf. Vergelijk de posities van de koppeling aan beide uiteinden van de bakwagen!

Dit zou op te lossen zijn door de koppeling te bevestigen aan een langere arm. Dan zou de Kadee-kop verder kunnen uitzwenken dan de oorspronkelijke Kadee-box toestaat. Dat levert wel een nieuw probleem op: om het automatisch koppelen te behouden, moet die langere arm nauwkeurig gecentreerd worden, zodat twee te koppelen voertuigen op recht spoor precies tegenover elkaar staan met hun kleine Kadee #26-klauwtje. (Koppelen op gebogen spoor is met Kadees sowieso onmogelijk. Intussen is het advies van gevorderde modelbouwers dat kaarsrechte sporen in het echt, en zeker op modelgenieke tracés, zelden voorkomen...)

Verticale problemen

Naast bogen kent het tracé op het Eiland Waan ook hellingen. In het verticale vlak doet zich daar een soortgelijk probleem voor. De koppeling van een tractievoertuig met een grote overhang duikt naar beneden wanneer het voertuig aan een hellend baanvak begint. De Kadee-kop komt dan onder de kop van het aangehangen rijtuig uit, en floep, daar blijft de aanhangwagen staan. De klauw is niet meer dan 3mm hoog. Idealiter zitten beide koppen op horizontaal spoor op dezelfde hoogte, maar vaak is dat niet zo. Een 'duik' van een paar mm is dan al genoeg voor een ongewenste ontkoppeling. Automatisch, ja, maar zo was het niet de bedoeling.

Dat dit mogelijk is, komt vooral door de filosofie van Kadee dat de modelspoorder een wagon vertikaal uit het treinverband moet kunnen tillen. Waar dat voor nodig is, is me een raadsel, want zoiets gebeurt bij het Grote Voorbeeld ook niet. Hooguit wordt een container uit de trein getild, maar een hele wagon? Om dit mogelijk te maken, is de klauw van Kadee open aan de boven- en onderkant. Om ongewenst ontkoppelen van tramwagens op hellingsovergangen tegen te gaan, is geprobeerd om de koppen te voorzien van een soort kraag waardoor die vertikale beweging onmogelijk werd. Het functioneerde, maar de koppeling kreeg het aanzien van een bovenmaatse vrachtwagenkoppeling: zo'n horizontale trompet-opening, met een Kadeetje erin.

Een ander vertikaal probleem is de ontkoppelpin van de Kadees die erg laag hangt, vlak boven de bovenzijde van de spoorstaaf. Bij een trambaan, waar zich wegdek kan bevinden tussen de spoorstaven, bestaat het gevaar dat de pin blijft hangen achter oneffenheden van het wegdek. Dat gebeurde af en toe, en leidde zelfs tot ontsporingen.

Het voorbeeld als voorbeeld

Na sinds 1996 aangemodderd te hebben met een koppeling die op zich goed is, maar die niet geschikt is voor het soort modelbaan dat ik bedrijf, is het besluit gevallen. Een echte bekerkoppeling moet het worden, net als bij echte oude trams (maar niet op het Isle of Man, overigens). Op een optreden in 2004 (of was het al 2002) merkte een toeschouwer (Karel B.?) op: gebruik dan echte tramkoppelingen. Ik had al eens een paar bekerkoppelingen gemaakt in 0, die met elkaar gekoppeld werden door een koppelijzer ('lummel'). Dat was, zoals in het echt, voorzien van twee puntige uiteinden en aan beide einden doorboord. Ook door de beide bekers zat zo'n boorgat. IJzer in beker, pin door gat; vast. Helemaal volgens het voorbeeld. Maar om dat pinnetje door het gat te krijgen, dat was te veel gepriegel. Het leverde meer irritatie dan genoegen op, en daar is de modelbouw niet voor. Exit natuurgetrouwe bekerkoppeling.

Toch ben ik daarvan teruggekomen. Alle krediet daarvoor gaat naar de 2m-Strassenbahnfreunde. Zij ontwikkelden een redelijk voorbeeldgetrouwe, functionele tramkoppeling voor schaal 1:22½. Dat moet op halve grootte ook lukken, leek mij. En inderdaad.

In plaats van twee boorgaten heeft het koppelijzer aan ieder uiteinde een zaagsnede. Daar valt een staaldraad in die verend rust in een zaagsnede in de beker. Koppelijzer in de beker schuiven, draad klikt in zaagsnede, vast. De koppeling wordt gelost door het koppelijzer een kwartslag te draaien; de verende staaldraad wordt dan uit de zaagsnede getild en het koppelijzer wordt niet meer vastgehouden. Het koppelijzer heeft een (niet voorbeeldgetrouwe) handgreep om dit draaien mogelijk te maken. Weliswaar hebben we daarmee weer een omlaag hangend element dat in botsing zou kunnen komen met oneffenheden van het wegdek, maar daar is de handgreep te kort voor.

Aan de achterzijde van de koppeling bevindt zich een gat dat dient als draaipunt om een vertikale as. Daardoor kan de koppeling uitzwaaien naar links en rechts. Er is geen centreerveer. De koppeling is aan de bodem van het voertuig bevestigd met een M2-boutje. Om de koppeling niet omlaag te laten hangen, zit er om het boutje een duwveer, tussen bodem en koppeling, die de koppeling neerdrukt zodat die rust op de omlaag wijzende kop van de bout. In rust verkeert de koppeling daardoor in horizontale stand. Er is verder geen geleideraam of iets dergelijks. Doordat er enige speling is tussen gat en bout kan de koppeling enigszins omhoog en omlaag bewegen. De zijdelingse beweging is in principe ongehinderd; de koppeling kan een hoek van 180° beschrijven, al is dat nooit nodig.

De koppeling ziet er redelijk voorbeeldgetrouw uit. De hoofdafmetingen zijn afgeleid van de bekerkoppelingen van de Haagsche Tramweg-Maatschappij. Een opvallend verschil is wel de lengte van het koppelijzer. Dat steekt enkele millimeters meer naar voren dan de schaalgrootte. Overigens is het de gewoonte dat het koppelijzer in de koppeling van de bijwagen blijft. De motorwagen kun je immers altijd gebruiken zonder koppelijzer, maar de bijwagen niet. Ja, lees dat nog maar 'n keer.

Bouwbeschrijving

De koppelingen zijn te fabriceren zonder bijzondere gereedschappen, en met gangbare materialen. Er komt wel enig solderen aan te pas. Daarvoor gebruikte ik een weerstandssoldeerstation, maar met een flinke bout gaat het ook. Onderstaand de materialen, en een stapsgewijze beschrijving.

Er zijn ongetwijfeld modelbouwers die betere bouwmethoden weten, die mogelijkheden zien om een draaibank aan het werk te zetten, die andere materialen willen gebruiken: gaat uw gang. De outillage van de werkplaats van de Electrische Spoorweg-Maatschappij te Port Ehgl (Waan) is bescheiden; de constructieve vaardigheden van het schaarse personeel eveneens. Vandaar onderstaande keuzen.

Zeg nou zelf, zo'n Kadee is toch geen porum, vergeleken met een bekerkoppeling?